(BLOG) Ver voordat Ikea Nederland bestormde had ik een vriend met een strak functioneel interieur. Het meubilair bestond uit ijzer, glas en beton; in grijs-, wit- en zwart tinten. Nergens slingerde een tijdschrift, een verloren sjaal, of een stapeltje boeken. Geen warme kleuren, geen weelderige vormen en geen rotzooi. Wij vroegen ons stiekem af of hij er wel echt woonde. ‘To live is to leave traces’, aldus Walter Benjamin.
Aan deze vriend moest ik denken toen ik rondliep tussen de werken van Absalon. Een grijze ruimte met tl-verlichting en gevuld met witte objecten, wooncellen, zogenaamde cellules. Ze lijken nog het meest op groot uitgevallen maquettes voor stedelijke herinrichting. Bij een aantal van de wooncellen mag je naar binnen, het is krap bemeten en volledig wit geverfd. Volgens het Boymans zijn de wooncellen gebaseerd op de afmetingen van Absalons eigen lichaam en als het ware schuilkelders voor slechts één persoon. Associaties met krappe dwangbuizen en witte isolatiecellen komen omhoog. Iedere prikkel is één teveel, iedere emotie moet voorkomen worden, weg weelderigheid, weg kleur, weg variatie. Het leven is eruit. Deze psychopathische atmosfeer wordt versterkt door de videoprojecties en het voortdurende geschreeuw van de kunstenaar.
Dit geschreeuw is des te angstaanjagender als je weet dat de kunstenaar inmiddels dood is. In 1993 overleed hij op 28-jarige leeftijd. Absalon kwam oorspronkelijk uit Israël en zag zichzelf als een nomade. Philippe Vergne schrijft in zijn essay ‘ The man without a home is a potential criminal’ dat Meir Eshel, alias Absalon een kort en snel leven heeft geleid.
Voordat Absalon kunst ging studeren in Parijs bij Christian Boltanski, diende hij in het leger, daarna woonde hij tussen de Bedoeïenen en tot slot runde Absalon een bar, die door de politie werd gesloten vanwege drugsdealers. Een chaotisch, kleurrijk leven uiteindelijk verpakt in geometrische vormen en afgeschermd door witte wooncellen, alsof hij alle sporen wilde uitwissen.


















